Het glooiende van de laatste vier kilometers bleek enkel voor de gids te gelden, want zelfs zonder onze zware rugzakken moesten we regelmatig ons karakter aanspreken. Onze norse gids wandelde zoals steeds gezwind over eender welk rotspad, met zijn blote voeten in rubberen sandalen gestoken en zonder een druppel zweet te verspillen. Nu we niet langer in beslag genomen werden door ons eigen afzien, gaven de hoge bergen ons het genot waar we 1500m naartoe geklommen hadden. Nu en dan konden we rustig even stoppen en ons laten verleiden door de eindeloze vergezichten tussen de omringende bergtoppen. Diep onder ons zagen we de route die we de dag nadien zouden moeten volgen, acht kilometer steil naar beneden van de ruïnes tot aan de woelige Apurimac, een brug over en terug drie kilometer stijgen tot aan een pad dat 'glooiend' een valei tussen twee bergen in slingerde en ons tot aan onze laatste camping zou brengen. Het grootse van de omliggende Andestoppen deed ons clichematig klein voelen en we wisten waarvoor we onze longen uit ons lijf hadden geklauterd. Een bocht verder zagen we plots beneden ons een reusachtig terrassencomplex, de landbouwpercelen van de Incaruïne, enkele honderden meters onder de eigenlijke ruïnes,.. de eerste tekenen van Choquekiraw. Niet veel later bereikten we het lang verwachte naamplaatje en stapten we het terrein binnen van een van de laatste toevluchtsoorden van de Inca`s.. de Spanjaarden zouden het nooit gevonden hebben. Toen we over de eerste stenen liepen van Choquekiraw's resten bleek er geen levende ziel ons pad te kruisen, we waren alleen in de ruïnes en bleven gespaard van het vervuilende toeristische geroezemoes. Onze gids slaagde erin zijn norsheid af te wisselen met boeiende verhalen over de site en paste als bij wonder zijn ritme aan aan onze vermoeidheid.. waar hij zonder meer immuun voor bleef. Het grootse Machu Picchu verloor zijn mystiek bij de kracht die deze verlaten overblijfselen uitstraalden. Je stond hier niet te kijken naar een hoop stenen, maar wandelde tussen de restanten van een stad waar je al kilometers lang zicht op had gehad, fantaserend over haar aanblik, wetende dat er nog veel tussen jouw en haar ontmoeting lag. Het gaf een voldaan gevoel, alsof je alles terugkreeg wat je had moeten inzetten tijdens de zware tocht...
Het begon al te schemeren als we terugkeerden naar onze kampplaats, waar ons voorlaatste pastadiner op ons wachtte. Na het repareren van een van onze gehuurde tenten, die zich gewonnen had gegeven tegen de hevige Andeswind, kropen we ons bed in, vergezeld van bliksem en donder die ons van over een andere berg tegemoet kwamen.
De laatste dag echt stappen zou geen makkie worden.. we daalden eerst een verwoestende acht kilometer tot aan de rivier, waar we onze pijnlijke knieën even lieten rusten en drie kilometer omhoog moesten, een makkie met onze opgedane ervaring. De laatste vijf kilometer brachten ons op en neer tot aan Villa de los Lores, een gehucht met twee woningen. Een van die woningen was het hostel van een Italiaan en zijn bitsige vrouw, die haar zure gezicht bovenhaalde toen bleek dat we enkel bier en kraantjeswater wilden in deze tijden van laagseizoen. De gids zou ons immers naar het tweede huis brengen, een gigantische oude hacienda waar we onze tenten mochten opslaan. Twee families, die de vertrekken van de hacienda bewoonden en er een landbouwcoöperatieve hadden, verwelkomden ons beter dan de Italiaanse had gekund en onze tenten kregen een plaats op hun prachtige grasplein, binnen de muren van de vierkantshoeve. De gids vertelde ons hoe de vorige eigenaar, een gestoorde Amerikaan, na veertig jaar heerschappij over 3000 koeien en ontelbare Peruanen, zijn zus hier had vermoord met kokende melk... even later dronk hij doodleuk een biertje met ons en begon zowaar leuke anekdotes te vertellen over gefaalde excursies naar Choquekiraw met 120 kilo zware Amerikaanse vrouwen.. na vier dagen wisten we dan ook dat hij Paulino heette.. wat was dat geweest als we nog een dag met hem hadden getrokken..
Na onze laatste nacht in de te kleine tenten belden we een taxi die ons voor een stevige prijs terug zou brengen naar Ramal, het dorpje waar we op onze eerste nacht gestrand waren in de woonkamer van een Peruaanse taxichauffeur. De plaatselijke bevolking probeerde ons wijs te maken dat de bus naar Cusco hier niet zou stoppen en we aan hun hoge vervoerskosten overgeleverd waren, maar onze eerste chauffeur was eerlijk genoeg om hun leugens te helpen ontwijken en we stopten de eerste bus, die ons voor 2,5 € naar Cusco kon brengen, waar een duurverdiende douche ons als een nieuwe mens zou doen voelen..
de film is beter dan het boek - Choquekiraw
Monday, December 15, 2008
Subscribe to:
Post Comments (Atom)
No comments:
Post a Comment